Vooruitgang op de helling

tekst voorgedragen bij debat ‘De vooruitgangsgedachte in de kunst’ in O 42, Nijmegen, 16 02 1998

deelnemers in het debat: Guido de Werd, Antoon van den Braembussche, Mirjam Kuitenbrouwer, gespreksleiding: Flos Wildschut

Vooruitgang in de kunst is iets waar je in gelooft of niet. Ik ben geen aanhanger van dat geloof. Dat betekent niet dat ik geen heil zie in de kunst, maar dat ik vooruitgang niet op kunst kan betrekken. Ik zou niet durven beweren dat de kunst erop vooruitgegaan is in de laatste vijfhonderd jaar. Het tegendeel, de achteruitgang durf ik evenmin af te kondigen.

Hoe meer ik over het thema van dit debat probeer te formuleren, hoe ongrijpbaarder de twee begrippen uit de titel worden. Ik kan niet met algemeenheden omgaan; daar kom ik steeds op uit. Steeds is er het individuele tegenover het massale. Kunst is een massaal begrip. In mijn hoedanigheid als beeldend kunstenaar – de vorm waarin ik hier vanavond in dit gezelschap verschijn – ben ik een eenling, ook al zit de zaal er vol mee. Kunst in het algemeen is een verzameling van individuele uitdrukkingsvormen. De uitdrukkingsvorm van een wereldbeeld.

Of je je mening vormt vanuit het individuele standpunt – mijn eigen positie – of vanuit een overstijgend perspectief kan tegengestelde beweringen opleveren. Ik kan niet voor de massa spreken, bovendien is het mij onmogelijk ergens in het algemeen over te spreken. Toch ben ik bezig een algemene uitspraak te doen die mijn eigen gedachten over vooruitgang zal vernieuwen.

Vooruitgang: klinkt als een positief ingestelde gang. Dat gaat de goede kant op. Maar waar naartoe? Dat is mijn bezwaar. Je kunt ’t beste voorhebben met ‘de kunst’, maar in een richting kun je haar niet sturen. Waarom dringt zich nu bijna automatisch de volgende noodlottige regel aan mij op: de kunst gaat bergafwaarts. (Hoei…) Dat is een ontwikkeling. En een ontwikkeling is naar mijn opvatting altijd een stijgende lijn. Je kunt wel een terugval beleven, maar die blijkt meestal louterend, en verder te voeren naar een dieper punt.

Als ik de metafoor van de berg als representatie van ‘de kunst’ aanhoud, wordt daarmee duidelijk dat ‘de’ kunst enkelvoudig niet bestaat. Om te beginnen: een berg. Daar zie je tegenop. De top, onbereikbaar hoog, ijzig koud boven het wolkendek is bijna de hemel zelf. Daar begint de kunst. Goed geconserveerd onder een deken van eeuwige sneeuw rust daar ondermeer de renaissance. Die heeft van boven een geweldig perspectief over de benedenwereld. Aan de voet van de berg, in een zeer wijde omtrek, stuntelt de tegenwoordige tijd; onze generatie (geschikt voor alle leeftijden). Het mag duidelijk zijn dat die berg een monument is waar alle vormen waarin de mens zich door de eeuwen heen in heeft uitgedrukt, zijn samengepakt met als resultaat grillige, deels ontoegankelijke, schaduwrijke en zonovergoten plekken. Die berg wordt van onderaf aangevallen door de laatst levende tijdgenoten. De een probeert die berg eigenhandig om te spitten, de ander beziet voorzichtig een facet ervan en gaat daar met gemak tien jaar in op.

Die berg is er. Daar kom je niet onderuit. Je kunt er je rug naar keren, er tegenaan leunen en er van weg kijken, maar wat je voor je ziet is de schaduw die de berg geworpen heeft. Je eigen schaduw incluis. Waar het in kunst om gaat is de uitwerking van die schaduw. Dat heeft niets met vooruitgang te maken. Niet met een vooropgezet plan, niet met het toekomstige. Dat komt later. Daar kun je het pas achteraf over hebben.

Het gaat in kunst om hoe je jezelf verhoudt tot wat je omgeeft, hoe je daar in je eigen tijd – de hedendaagse – aan deelneemt en hoe je je in die omgeving ontwikkelt en onderscheidt als een zelfstandig èn afhankelijk wezen. Je moet niet de hand, maar slechts je vinger op dat ‘nu’ weten te leggen, uit die inslag ontstaat het werk. Steeds weer een nieuw nulpunt. Wil je je als een rots in die berg bewegen dan vergt dat een enorme inspanning, kracht, uithoudingsvermogen, noem maar op. Wil je je met recht in die massa voortbewegen, dan verplicht je jezelf scherp te leven, geconcentreerd en oprecht je passen te maken. Pas dan kan wat je in dat leven bewerkstelligt als kunstenaar niet automatisch de helling op.

Mirjam Kuitenbrouwer, 15 februari 1998

MIRJAM KUITENBROUWER
back to previous page